Jonge Dagen

Inleiding van ‘Begin van het Einde – De Geschiedenis van de Komende Apocalyps’, schrijver onbekend, zoals gevonden in de Tempel van de Waakster, te Daralis.

Waar het begin van de 40e eeuw vol grote gebeurtenissen zit, niet in het minst de val en wederopstanding van het Elfenrijk, en de groei en daarna versplintering van het Keizerrijk Laoghairnon, lijkt de tweede helft aanvankelijk redelijk rustig te verlopen. In 3979 sterft Keizer David de Kleine, en wordt opgevolgd door Keizerin Rachel Safira. Amper één jaar later sterft Khalios Ylyndar, hoogste leider van de Elfen, en wordt opgevolgd door Khariolos Ylandar. Of het door deze machtswisseling komt, of puur toeval is, kan niemand zeggen, maar deze machtswisselingen lijken het begin van enige opschudding. Deze groeit binnen een paar jaar uit tot een era waar de geschiedschrijvers nog geen naam voor kennen, maar met een duidelijk overkoepelend thema: Onbalans en verandering. In dit era zijn de tekenen van het naderend einde duidelijk te herkennen, voor zij die het willen zien.

De eerste onrust begint in 3981, wanneer op enkele plekken ongehoord veel ondoden door de nacht beginnen te dwalen. In de jaren die volgen nemen de aantallen ondoden slechts toe, en verspreiden ze zich door de gehele bekend wereld. In 3983 is het algemeen geaccepteerd dat het, buiten de steden, absoluut onverstandig is om gedurende de nacht buiten te zijn. Zelfs in de kleinste dorpen sluiten bewoners zich ‘s nachts binnen op. Als men een avond wil drinken in de taveerne, overnacht men daar ook. Pas in 3985 eindigt deze situatie, na jarenlange nachtelijke terreur en ontelbare doden. Onder de hoogElfen wordt gezegd dat het de familie Ylyndar zelf was, die het oploste. Het Keizerrijk spreekt van een heldhaftige missie onder leiding van de Keizerin zelf; zei is immers zeer geleerd op het gebied van de vernietiging van ondoden. In Vaelvilla danken ze Angharad dat ze haar brug wederom heeft weten te sluiten. Wellicht is het allemaal waar. De oplettende burgers, die niet zodanig nieuwsgierig waren dat ze een vroege dood vonden, zouden opgemerkt kunnen hebben dat op meerdere plekken ‘bronnen’ van ondoden te vinden waren. Sommige spreken van kleine bruggen naar het dodenrijk, waar Angharad geen controle over had. Andere spreken over tunnels naar een tweede dodenrijk, met een andere God die de leiding had. Er lijkt geen eenduidig antwoord te zijn. Duidelijk is slechts dit: In 3985 zijn meerdere van deze bronnen gesloten door groepen stervelingen, en daarmee raakten de overgebleven bronnen zodanig verzwakt dat ze uit zichzelf instorten. Wellicht dat de gemiddelde sterveling daarmee dacht dat de onrust voorbij was. Maar de nachtelijke terreur van de ondoden was slechts een begin.

Al voordat de poort zich sloot had de volgende onrust zich namelijk aangediend. Het is maar weinigen opgevallen, omdat het veelal als lokaal verschijnsel werd gezien, en weinig indrukwekkend. Verreweg de meeste stervelingen hebben nog nooit van dit alles gehoord. Slechts sommige reizigers ontdekten dat het fenomeen zich op meerdere plekken had voorgedaan, en allen vroegen ze zich af of ze voorgelogen waren. Toch moet het, in de aanloop naar het einde der tijden, als een belangrijk onderdeel gezien worden: In het jaar 3984 verschenen op verschillende plekken kleine groepjes stervelingen, die in variërende woorden verklaren uit een andere tijd te komen. Sommigen spreken over een andere wereld, slechts oppervlakkig vergelijkbaar met de onze. Anderen spreken over een reis uit het verleden, het overslaan van enkele generaties. Weer anderen spreken er liever niet over, en slechts degenen die heb hebben zien arriveren spreken over de plotselinge komst van stervelingen die weinig tot niets over de huidige stand van zaken bleken te weten. Tot nu toe zijn er zeker vijf zulke groepen gevonden, maar het is niet ondenkbaar dat er meer zijn. Of ze allen van dezelfde plek en tijd komen, of allen van een ander, kan niemand met zekerheid zeggen. Maar ze lijken niet willekeurig verschenen te zijn: Allen verschenen ze in de herfst van 3984, vlak bij kleine of verlaten dorpjes, ver van elkaar verspreid.

De derde grote onrust was al veel langere tijd in opkomst, ver uit het zicht van mensen en dwergen, en zelfs door de meeste Elfen onopgemerkt. Diep in het Elfenrijk, in een afgezonderd dorpje in de bergen waar de lang geleden uitgestorven gnomes ooit woonde, ontstond een cultus van aanbidders van een wezen dat diep in de bergen gevangen zat. Het begon klein, maar in enkele tientallen jaren raakte het hele dorp in de ban van de cultus, en met witte strepen op hun gezicht trokken ze de wijde wereld in. Overal waar ze kwamen vonden ze medestanders, die hun bijstonden in een roep om vrijheid van onderdrukkende heersers, verzet tegen foute leiders en ambities van de kleinen om groot te worden. Want zo ook had het gevangen creatuur tot hen gesproken: Het wezen was een kind, en het kind was verdrukt door zijn grotere broers en zussen. Had het niet het recht om op te groeien, en te worden zoals zij? En zo begon in het Elfenrijk de opkomst van het Kind, als een vonk in een droog bos. Het Kind sprak tot haar volgelingen, en allen waren zij bezield. Maar al snel bleek dat het Kind van geen remmen wist: Eenieder die in aanraking kwam met het Kind, raakte als het ware besmet. Binnen het jaar hadden de Elfen de verspreidende cultus al bestempeld als een ziekte, en werden volgelingen van het Kind des te meer onderdrukt. Dit resulteerde in niets minder dan chaos, want de volgelingen lieten zich niet opsluiten; het ging tegen al hun principes in. En zo ontstond een burgeroorlog, die uiteindelijk de Elfen dwong om hun steden te verlaten, en richting het Keizerrijk te trekken, op zoek naar plekken weg van de ‘infectie’. De wanhopige oorlog die daar gevoerd werd, tot aan de poorten van Torquil maar geen stap verder, is een verhaal op zich, maar niet belangrijk. Wat uitmaakt, is dat overal in de bekende wereld stervelingen waren, die sympathie hadden voor het Kind. Het kon, zo zeiden ze, niets doen aan de ziekte. Het was, tenslotte, nog maar een Kind. De enige manier om zijn wanhopige geschop en geschreeuw tegen te gaan, was het te geven waar het zo terecht om vroeg: Een plek aan de tafel van zijn broers en zussen. En zo gebeurde het. De volgelingen van het Ware Kind, zoals ze zich noemden, trokken de wereld rond, en overal waar ze kwamen vroegen ze de stervelingen om het Kind te accepteren als een God. En overal waar dit gebeurde, verdween de ‘ziekte’, en toonde het Kind haar ware gezicht. De rust leek wedergekeerd, de Elfen trokken terug naar huis, en de cultus van het Kind werd een ware Kerk, die eenieder oproept zich niet tegen te laten houden door anderen.

Dit schrijven stamt uit de lente van 3988. Het jaar 4000 ligt aan de horizon, voor velen van ons een jaartal dat we mee zullen maken. We kijken uit naar de grote feesten, naar het jaar van voorspoed dat de Goden zullen gunnen. Maar in de afgelopen 20 jaar ontstonden op drie totaal losse plekken, met drie totaal ongerelateerde oorzaken, drie totaal verschillende onrusten. Ja, lezer, zie hier de crux van het verhaal. De eerste onrust brak de grens tussen leven en dood. De tweede onrust brak de grens van tijd of van werelden. De derde onrust brak de grens tussen cult en kerk. Los van elkaar, geen van allen uniek, al dan wel bijzonder uitzonderlijk. Maar gezamenlijk, in zo’n korte periode van tijd, wijzen ze op onstabiliteit in onze wereld! De grenzen worden zwak, en slechts door stervelijk ingrijpen worden ze gehandhaafd. En wanneer de volgende grens breekt, kunnen wij niet garanderen dat we de problemen nogmaals kunnen stoppen. Wat gebeurt er, wanneer de grenzen gebroken blijven? Het is onvermijdelijk: De rest zal volgen in de breuk. De wereld zal eindigen. En wellicht zullen wij het jaar 4000 nooit meemaken. Waak, dus, stervelingen! Red, wat er gered kan worden, maar weet dit: Het einde nadert!