Het Kind – God van Verzet, Ambitie en Vrijheid

Het Kind is een nieuwe God in het pantheon. Deze God staat voor iedereen die klein gehouden wordt, maar groot wil worden. Voor het Kind draait alles om onder het juk van de ouders uit groeien: Ieder kind moet zich ooit verzetten tegen zijn ouders, en zijn eigen ambitie leren kennen, om de ware vrijheid van een volwassene te kennen. Het is een toch die iedereen alleen moet maken: Het Kind kan je niet bevrijden van de kooi waar je in zit, maar het kan je wel motiveren om jezelf er uit te halen.

Aan alles is te merken dat het Kind een echt jonge God is. Het is nieuwsgierig, en kent zichzelf nog niet goed. Soms klinkt het Kind als een jongen, soms als een meisje. Soms wil het spelen met iedereen die het tegen komt, soms is het vooral boos op zijn ‘broers en zussen’, de andere Goden. Als je het voor elkaar krijgt om vrienden met het Kind te worden, kan je veel invloed hebben op hoe deze God zich vormt, maar vergeet niet dat dit Kind een sterke eigen wil heeft, en zich niet op laat sluiten in regels en opvoeding.

Er heerst heel veel controversie rondom het Kind, want niet lang geleden zorgde het nog voor een enorme opstand in het Rijk van de Hoogelfen. Daar werd het geboren als een infectie de hoofden van stervelinge, een ziekte die hen overtuigde van het bestaan van een Goddelijk wezen dat ze allen zou bevrijden van alle onderdrukking. Pas toen priesters van het Ware Kind vrijwillige volgelingen aan zich wisten te binden, kon de jonge Godheid de infectieziekte vernietigen, en bleef slechts het vrijwillig geloof over.

Priesters en volgelingen van het Kind zijn vaak de onderdrukten of ambitieuzen, die uit willen groeien boven anderen. Ze accepteren niet dat anderen hen gebruiken als opstapje, of dat ze klein gehouden worden door anderen. Het zijn vrije geesten, die doen waar ze zin in hebben en zich weinig aantrekken van de verwachtingen van de wereld om hen heen.

Het symbool van het Kind is een boom waaraan een schommel hangt.

Het Kind

“Psst. Zeg, eh, ik heb gehoord dat u een priester van het Kind bent.”

“Dat klopt. Het is niet langer nodig daar geheimzinnig over te doen, jongedame. Het Kind zit aan de Tafel der Goden, zo sterk als ieder ander.”

“Ah. Eh, okee. Nou, ehm, misschien kunt u me helpen.”

“Helpen? Wat kan ik voor je betekenen, wat je niet ook zelf zou kunnen?”

“Nou, kijk, het zit zo. Ik ben de oudste thuis, en heb twee broertjes. Maar alleen omdat ik een vrouw ben, krijg ik geen erfenis!”

“Juist… En waarom heb je mijn hulp daar bij nodig?”

“Ik wil me er tegen verzetten! Ik wil niet onderdrukt worden omdat ik een vrouw ben!”

“Ah. Nou, dan laat je je toch niet onderdrukken?”

“Eh… Ja, maar, u bent een priester van het Kind. Dan kunt u me toch helpen?”

“Niemand kan je helpen in je eigen verzet. Je vrijheid moet je zelf winnen, meisje. Als ik je zou helpen, is het slechts een andere kooi. Je weet wat je wilt. Wat houd je tegen?”