Feodaliteit: Van keizerin tot jonkvrouw

Iedere cultuur heeft zo zijn eigen manieren van bestuur. Een gebied groter dan een dorp kan niet voortbestaan zonder een gelaagde structuur van macht en kracht. Landen kunnen dat nog veel minder. De structuren van de dwergen en de elfen zijn eeuwenoud, maar ook de mensen beginnen vorm te geven aan hun rijken.

Grote aantallen van de mensen leven nog in de bossen. Zij kennen vaak slechts het stamhoofd, de oudste of de almoeder. Maar daar waar de mensen uit de bossen kwamen en zich oprichten in steden, gebieden, landen en rijken ontwikkelde zij het systeem van Feodaliteit. In dit systeem wordt het land bezeten door een overkoepelend heerser, die het eigen land opsplits en de delen ‘uitleent’ aan onderdanen. Ook die onderdanen knippen hun geleende land weer uit, en delen het uit aan een nieuwe laag onder hen. Zo verdeelt het land zich van één enkele keizer(in) tot eindeloze boeren met hun ‘eigen’ stukje land.

De lagen van de adel
De lagen van de Adel

Hoewel het systeem aanvankelijk simpel was, waarbij de lenende partij belasting betaalde aan de overkoepelende heerser, is het over de jaren uitgebreid met tal van plichten heen en weer. De overkoepelende heerser dient de landen te beschermen, maar doet dit deels door manschappen te vragen van de lenende partijen. Het land moet veelal minstens voor een deel gebruikt worden om voedsel te produceren voor de overkoepelend heerser, hoewel sommige gebieden dan juist weer niet gebruikt mogen worden door anderen dan de heerser. Zo liggen akkers, private jachtgebieden en trainingsgronden voor militairen en militia dwars door elkaar.

Dit systeem van lenen en plichten is in origine een afspraak tussen twee individuen, maar in de praktijk vaak een langlopende zaak tussen twee families, waarin het leendom wordt overgegeven van generatie op generatie. Vanuit die traditie is de adel ontstaan: Een klasse apart van individuen in het bezit van groot land. Aanvankelijk waren dit allen mannen, en waren er slechts vrouwelijke titels voor de vrouw of weduwe van de landeigenaar. Dit veranderde met het verreizen van Keizerin Rachel Safira Laoghairn. In haar navolging hebben enkele families ervoor gekozen het oudste kind te laten erven, in plaats van de oudste zoon.

Het systeem van adellijke rangen en titels is over de jaren van gebruik steeds verder geformaliseerd geworden. Daarmee werd ook het taalgebruik geformaliseerd. Daaruit komen de onderstaande titels horende bij de verschillende rangen. Ook de regels rondom het ‘adelen’ (werkwoord, het benoemen van nieuwe edelen) zijn daarmee strenger geworden, al zijn die minder bekend en willen de lagere rangen van adel die nog wel eens aan hun laars lappen.

De titels van de adellijke leenheren, van hoog tot laag

Keizer/Keizerin: De hoogste heerser bij de gratie der goden. Oorspronkelijk was een keizer heerser over meerdere koninkrijken.

Koning/Koningin (Verouderd): Oorspronkelijk waren de mensen verdeeld in verschillende koninkrijken. Al enkele eeuwen hebben de mensen geen koningen meer gehad.

Prins/Prinses: De titel voor kinderen van keizers of koningen. De kinderen van prinsen krijgen alleen de titel prins of prinses als ze in de directe lijn van opvolging zitten. Anders worden ze jonkheer of jonkvrouwe.

Hertog/Hertogin: De heersers van grote gebieden in de bekende wereld van Omen. Van oudsher vallen Hertogen direct onder de Koning of Keizer. In recente geschiedenis zijn echter meerdere Hertogen losgebroken. Hoewel zij zichzelf nog steeds Hertogen noemen zijn ze voor alle praktische toepassing Koningen.

Markies/Markiezin: De heersers van grote gebieden aan de oorspronkelijke grens van het keizerrijk. De markiezen hadden minder invloed dan de hertogen, maar kregen meer militaire ondersteuning. Er zijn nog maar enkele Markiezen over in het Keizerrijk, en in de Vrije Hertogdom is de gewoonte lange tijd vergeten. De adellieden in de Vrije Hertogdommen die lange tijd Markies heetten gaan nu veelal als Graaf door het leven.

Graaf/Gravin (Comt en Comtes in sommige regio’s): De hertogdommen zijn helemaal onderverdeeld in verschillende graafschappen. Alleen steden zijn hierop de uitzondering, waar de hertogen vaak een burgemeester hebben aangesteld voor het dagelijkse bestuur.

Baron/Barones: De grotere graafschappen hebben vaak de randgebieden vaak weer in leen gegeven aan een baron. Dit heet een baronie.

Ridder: Ridder is een niet overerfbare titel, maar worden aan jonge mannen van adel gegeven nadat zij zich militair bewezen hebben. Vaak door als schildknaap te dienen voor een andere ridder, soms een andere heer, maar het kan ook gewoon door uit te blinken tijdens een slag. Per grote uitzondering worden niet edelen geridderd. Een riddertitel is ook geen garantie voor land, maar maakt je wel een gewildere huwelijkspartner voor lagere adel.

Jonkheer/Jonkvrouwe: Iedere binnen echtelijke nazaat van een edelman is een jonkheer, tenzij hij recht heeft op een hogere titel. Een jonkheer kan eigen land hebben zonder een hogere titel. Vaak omdat zijn broer of vader een leenheer is hij dan een kleine stukje grond heeft om op te passen.